Klik hier indien u deze mail niet kan lezen.
NIEUWSBRIEF IMPOSTO ADVOCATEN - 2015/3

Beste lezer, 

We presenteren u de derde editie van 2015.  In deze editie komen volgende items aan bod:

Van de gelegenheid maken we ook gebruik u attent te maken op de artikels die recent van onze hand in de vakliteratuur zijn verschenen:  
We wensen u veel leesplezier.

Het IMPOSTO team 
FAMILIEBEDRIJVEN // 22-mEI-15
VLAAMS GUNSTREGIME VOOR FAMILIEBEDRIJVEN NA INTEGRATIE IN VLAAMSE CODEX FISCALITEIT: EEN STAND VAN ZAKEN

Auteurs:
Anouck Sandra (advocaat-vennoot) & Stijn Lamote (advocaat-vennoot)
Praktijkgroep Fiscaliteit & Familiebedrijven


Met ingang van 1 januari 2015 werd de dienst inzake de geregionaliseerde schenkings- en successierechten overgedragen aan het Vlaamse Gewest; het Vlaamse Gewest is voortaan bevoegd voor het vaststellen, controleren en innen van deze belastingen. Het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 voorziet hiertoe in de integratie van de geregionaliseerde successie- en registratierechten in de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dit is met inbegrip van het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven in de schenking- en erfbelasting. Naar aanleiding hiervan werd aan het bestaande gunstregime voor familiebedrijven gesleuteld, inzonderheid voor wat betreft de formele toepassingsvoorwaarden. Een hervorming of verduidelijking van bepaalde heikele topics, zoals het standpunt van de Vlaamse belastingdienst inzake de zogenaamde ‘managementvennootschappen’, bleef echter uit.

Vlaams gunstregime voor familiebedrijven – ratio legis

Om de continuïteit van familiebedrijven, en de daarmee gepaard gaande tewerkstelling, niet in gevaar te brengen door hoge successie- of schenkingsrechten en/of een gebrek aan een goed voorbereide opvolging (door geen of een te late overdracht van de benodigde ervaring, know how en contacten) werd eind de jaren negentig voor familiebedrijven een gunstregime in de schenkings- en successierechten ingevoerd.

In de loop van de jaren heeft dit gunstregime voor familiebedrijven heel wat wijzigingen ondergaan. De basisdoelstelling bleef steeds dezelfde (i.e. de continuïteit van familiebedrijven bevorderen), maar de manier waarop werd ingevolge het wijzigend beleid ter zake meermaals bijgestuurd.

Vlaams gunstregime voor familiebedrijven – wetshistoriek

Door de Bijzondere Financieringswet van 16 januari 1989 werden de successierechten alsook welbepaalde registratierechten, onder meer de schenkingsrechten, gewestbelastingen. Voortaan zijn de Gewesten bevoegd om met betrekking tot deze belastingen de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de eventuele vrijstellingen ervan te bepalen.

De Vlaamse decreetgever maakte van deze bevoegdheid gebruik om voor familiebedrijven te voorzien in een gunstregime in de Vlaamse successierechten alsook om het bestaande federale gunstregime voor familiebedrijven in de Vlaamse schenkingsrechten nieuw leven in te blazen.

Zoals hierboven reeds aangestipt werd het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven doorheen de jaren verschillende malen gewijzigd. De laatste hervorming van het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven vond ingang op 1 januari 2012, en betekende een copernicaanse omwenteling in vergelijking met het voorgaande regime. Zo wordt de schenking van een familiebedrijf voortaan vrijgesteld van schenkingsrechten waar voorheen een vlak tarief van 2% gold. De vererving van familiebedrijven kan voortaan niet meer vrij van successierechten, maar wordt onderworpen aan een vlak tarief in de successierechten van 3% of 7%. Ook de draagwijdte en toepassingsvoorwaarden voor het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven werden grondig gewijzigd; zo komen onder meer schuldvorderingen ten aanzien van familiebedrijven niet langer in aanmerking voor het gunstregime.

 Met ingang van 1 januari 2015 werd de dienst inzake de geregionaliseerde schenkings- en successierechten overgedragen aan het Vlaamse Gewest, naar aanleiding waarvan de geregionaliseerde schenkings- en successierechten, inclusief het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven, werden geïncorporeerd in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De formele voorwaarden voor de toepassing van het gunstregime voor familiebedrijven werden hierbij gewijzigd, alsook werden de materiële toepassingsvoorwaarden in overeenstemming gebracht met de administratieve praktijk. Deze wijzigingen betreffen echter geen grondige hervorming van het gunstregime; zo wordt geen afbreuk gedaan aan de hervorming met ingang van 1 januari 2012. De decreetgever laat bovendien de kans liggen om duidelijkheid te scheppen over heikele topics zoals het standpunt van de Vlaamse belastingdienst inzake de zogenaamde ‘managementvennootschappen’.

Vlaamse Codex Fiscaliteit – algemeen: herformulering basisbegrippen

Bij de integratie van de geregionaliseerde registratie- en successierechten in de Vlaamse Codex Fiscaliteit werd transparantie, gelijkvormigheid en vereenvoudiging van de Vlaamse fiscale regelgeving beoogd. Hiertoe werden een aantal basisbegrippen geherformuleerd met oog op taalkundige stroomlijning en vereenvoudiging.

Zo is registratiebelasting in het Vlaamse Gewest voortaan de verzamelterm voor de schenkingbelasting, het verkooprecht, het verdeelrecht en het recht op hypotheekvestiging. Erfbelasting is er voortaan de verzamelterm voor successierechten en het recht van overgang.

Het begrip ‘partner’ wordt ingevoerd als verzamelterm voor gehuwden, wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden zoals gedefinieerd in artikel 1.1.0.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Vlaamse Codex Fiscaliteit – Vlaams gunstregime voor familiebedrijven

Ook het gunstregime voor familiebedrijven ondervond enkele wijzigingen bij de integratie ervan in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (zie: artikels 2.8.6.0.3. t.e.m. 2.8.6.0.7., 3.12.3.0.1., 2.7.4.2.2. t.e.m. 2.7.4.2.4. en 3.3.1.0.8. V.C.F.).

Vlaams gunstregime in de schenking- en erfbelasting

Overeenkomstig voormelde herformulering van het begrippenapparaat dient thans over het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven in de schenking- en erfbelasting te worden gesproken.

formele toepassingsvoorwaarden – afschaffing verplicht voorafgaandelijk attest

Tot voor 1 januari 2015 bestond de verplichting voorafgaand aan een schenking waarbij men de toepassing van het Vlaams gunstregime beoogde een attest aan te vragen bij de Vlaamse belastingdienst. De Vlaamse belastingdienst toetste voorafgaandelijk of aan de voorwaarden voor de toepassing van het gunstregime was voldaan, en leverde al dan niet een positief attest af.

Naar aanleiding van de overname van de dienst door het Vlaamse Gewest wordt de verplichting voorafgaandelijk een attest bij de Vlaamse belastingdienst aan te vragen alsook de bezwaarprocedure in dat verband geschrapt. Voortaan is de Vlaamse belastingdienst immers bevoegd om de belasting vast te stellen, te controleren en te innen en bijgevolg op dat moment te beoordelen welk regime van toepassing is.

Thans dient in de schenkingsakte of de aangifte nalatenschap te worden verzocht om de toepassing van de vrijstelling van schenkingsrechten respectievelijk het verlaagd tarief in de successierechten. Hiertoe dienen de nodige bewijsstukken te worden overgemaakt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Wel bestaat nog de vrijblijvende mogelijkheid een voorafgaandelijk attest aan te vragen bij de Vlaamse Belastingdienst. ). De Vlaamse belastingdienst oordeelt in dat geval op basis van de aangereikte gegevens op het moment van het verzoek, en dat binnen de 60 dagen na ontvangst van het verzoek om een attest.

Op basis van dergelijk voorafgaandelijk attest kan de inschatting worden gemaakt welk regime in de schenking- en erfbelasting van toepassing is. Zo kan men op die manier onder meer vermijden dat een schenkingsakte voor Belgisch notaris wordt verleden, waarna bij registratie de vrijstelling wordt geweigerd en schenkingsrechten ad 3% (in rechte lijn) worden gevestigd. Het attest vormt echter slechts een leidraad; de toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling worden immers opnieuw gecontroleerd op het moment van de schenking hetgeen weinig problematisch is indien de tijdspanne tussen attest en schenking miniem is.

materiële toepassingsvoorwaarden – verduidelijkingen en toevoegingen conform administratieve praktijk

De decreetgever heeft bovendien van de gelegenheid gebruik gemaakt te voorzien in enkele wijzigingen met betrekking tot de materiële toepassingsvoorwaarden voor het gunstregime voor familiebedrijven. Deze wijzigingen betreffen enkele verduidelijkingen en toevoegingen, telkens in navolging op de reeds bestaande administratieve praktijk in dit verband.

Naast activa beroepsmatig geïnvesteerd in een familiale onderneming komen tevens aandelen in een familiale vennootschap in aanmerking voor het gunstregime in de schenking- en erfbelasting. Voormelde wijzigingen ingevolge de incorporatie in de Vlaamse Codex Fiscaliteit hebben inzonderheid betrekking op de voorwaarden waaronder aandelen in een familiale vennootschap in aanmerking komen voor de toepassing van het gunstregime, zijnde de participatievoorwaarde, de activiteitsvoorwaarde en de continuïteitsvoorwaarde.

(1) inzake de participatievoorwaarde 

- Enkel aandelen in ‘familiale’ vennootschappen komen in aanmerking voor het gunstregime in de schenking- en erfbelasting. Het familiaal karakter van een vennootschap wordt bepaald door het aandeelhouderschap in de vennootschap, i.e. een bepaald minimum percentage van de aandelen dient te worden aangehouden door de schenker of erflater en zijn familie.

In principe wordt vereist dat de schenker of erflater op het moment van de schenking of overlijden minstens 50% van de aandelen in de familiale vennootschap aanhoudt, eventueel samen met ‘familie’. Bovendien is voorzien dat in een familiale vennootschap maximaal drie families in het aandeelhouderschap kunnen betrokken zijn op voorwaarde dat de schenker of erflater en zijn familie minimum 30% van de aandelen aanhouden. 

- Thans wordt in de Vlaamse Codex Fiscaliteit uitdrukkelijk bepaald dat aandelen van rechtspersonen niet in aanmerking komen om te worden samengeteld met de aandelen van de betrokken schenker of erflater in het kader van de participatievoorwaarde.

In de Memorie van Toelichting bij het decreet van 19 december 2014 wordt gesteld dat dit een loutere verduidelijking van de huidige praxis en dus geen nieuwe inhoudelijke bepaling betreft. De Vlaamse belastingdienst nam in haar omzendbrief dd. 20 juli 2012 immers dit standpunt reeds in, weliswaar zonder dat dit op dat moment uitdrukkelijk in de wet werd bepaald. Aan de betwisting van dit standpunt van de administratie wordt dan ook een eind gemaakt door de wettelijke verankering ervan.

Het (gedeeltelijk) tussenschuiven van een (houdster-)vennootschap door de schenker of erflater alsook door familieleden of andere aandeelhouders kan bijgevolg een nadelig impact hebben voor de natuurlijke persoon – aandeelhouder van een familiale vennootschap. 

- In het kader van de participatievoorwaarde komen bij het bepalen van de ‘familie van de erflater/schenker of aandeelhouder’ voortaan (naast partner, descendenten en/of hun partner, ouders, broers en zussen en/of hun partner) ook de kinderen van broers en/of zussen in aanmerking, ongeacht of die broers en/of zussen vooroverleden zijn.

Hiertoe wordt het woord ‘vooroverleden’ geschrapt om zo tegemoet te komen aan een onrechtvaardigheid in de praktijk; de Memorie van Toelichting haalt hiertoe het voorbeeld aan van grotere families (met meer dan drie kinderen) waar mogelijks niet alle broers en/of zussen van het gunstregime konden genieten indien een deel van de aandelen reeds in handen was van de kinderen van hun broers en/of zussen (bvb. ingevolge een eerdere schenking) zonder dat hun broers en/of zussen vooroverleden waren.

Het begrip ‘familie’ blijft evenwel (jammer genoeg) een beperkte draagwijdte behouden; zo komen bijvoorbeeld familiebedrijven in handen van neven en nichten niet in aanmerking voor het gunstregime. 

- Voorts wordt in de Vlaamse Codex Fiscaliteit verduidelijkt dat bij de beoordeling van de grens van 30% in het kader van de participatievoorwaarde bij de aandelen van de schenker of erflater tevens de aandelen van zijn/haar familie mogen worden gerekend. In de voorgaande tekst werd dit, wellicht uit slordigheid, niet vermeld daar waar dit wel werd vermeld voor de beoordeling van de grens van 50%. Deze toepassing van de participatievoorwaarde werd reeds door de administratie (in haar omzendbrief) onderschreven, en wordt nu uitdrukkelijk wettelijk bepaald.

(2) inzake de activiteitsvoorwaarde 

- Enkel de aandelen in een ‘familiale vennootschap’ kunnen worden geschonken en vererfd met toepassing van het gunstregime in de schenking- en erfbelasting. Bij de beschrijving van welke vennootschappen als een ‘familiale vennootschap’ kwalificeren beoogt de decreetgever uitsluitend, net zoals voor familiale ondernemingen, familiale vennootschappen die een economische (maatschappelijke) ondernemingswaarde genereren in aanmerking te laten komen voor het gunstregime.

Tot verwezenlijking van voormelde doelstelling voorziet de wettekst inzonderheid dat enkel in volgende twee gevallen een vennootschap als ‘familiale vennootschap’ kwalificeert voor de toepassing van het gunstregime.

1) Als ‘familiale vennootschappen’ kwalificeren vooreerst de vennootschappen die een nijverheids-, handels-, ambachts-, landbouwactiviteit of vrij beroep tot doel hebben en uitoefenen.

Deze activiteiten moeten zowel in de statutaire doelomschrijving zijn opgenomen als daadwerkelijk worden uitgeoefend.

Zo kwalificeren passieve holdings en zuivere beleggingsvennootschappen in eerste instantie bijgevolg niet als familiale vennootschap bij gebreke aan uitoefening van voormelde activiteiten. Ook bepaalde managementvennootschappen voldoen volgens de Vlaamse belastingdienst niet aan deze voorwaarde en kwalificeren bijgevolg niet als familiale vennootschap; zoals hierna verder uiteengezet is dit standpunt van de administratie echter voor discussie vatbaar bij gebreke aan wettelijke grondslag daartoe.

2) Daarnaast worden passieve holdings toch gekwalificeerd als ‘familiale vennootschap’ indien ze een voldoende grote, rechtstreekse participatie aanhouden in een actieve dochtervennootschap. In dat geval komen de aandelen van de passieve holding, die alsnog kwalificeert als ‘familiale vennootschap’, slechts in beperkte mate in aanmerking voor het gunstregime.

Deze vennootschappen worden echter alsnog uitgesloten van de kwalificatie als ‘familiale vennootschap’ indien ze geen ‘reële economische activiteit’ hebben. Hiertoe wordt voorzien in een weerlegbaar vermoeden dat inzonderheid tot doel heeft patrimoniumvennootschappen uit te sluiten van het gunstregime; voor ‘passieve holdings’ wordt dit op geconsolideerd niveau beoordeeld. 

- Bij de incorporatie in de Vlaamse Codex Fiscaliteit werd aan de definitie van ‘familiale vennootschap’, op subtiele wijze, toegevoegd dat de vennootschap niet alleen een nijverheids-, handels-, ambachts-, landbouwactiviteit of vrij beroep tot doel moet hebben maar dit ook dient uit te oefenen. Op die manier wordt het administratief standpunt inzake de draagwijdte van het begrip ‘tot doel hebben’ nu ook wettelijk verduidelijkt. 

- De parameters voor het weerlegbaar vermoeden inzake de ‘activiteitsvoorwaarde’, i.e. de begrippen ‘terreinen en gebouwen’, ‘bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen’ en ‘totaal actief’, worden uitdrukkelijk in de Vlaamse Codex Fiscaliteit gedefinieerd.

Voorheen bepaalde het uitvoeringsbesluit van 2 maart 2012 wat onder deze parameters diende te worden begrepen door verwijzing naar specifieke posten in de balans en resultatenrekening. Thans wordt op meer algemene wijze door de wet verwezen naar de ‘gelijknamige post’ in de balans of resultatenrekening.

(3) inzake de continuïteitsvoorwaarde 

- Tot behoud van de vrijstelling van schenkingsrechten of het verlaagd tarief in de successierechten dienen gedurende drie jaar na de datum van de schenkingsakte of de datum van overlijden van de erflater aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. 

- Zo dient gedurende deze periode bij voortduur ononderbroken aan de activiteitsvoorwaarde te worden voldaan. In de Vlaamse Codex Fiscaliteit is ter zake thans te lezen dat ‘een activiteit van de familiale vennootschap zonder onderbreking [moet worden] voortgezet’. Door de toevoeging van het woord “een” voor “activiteit” lijkt de decreetgever, in overeenstemming met de administratieve praktijk ter zake, te willen onderstrepen dat volstaat dat de familiale vennootschap ononderbroken een “reële economische activiteit tot doel” heeft zonder dat daarbij is vereist dat dezelfde activiteit als op het moment van de schenking of vererving wordt voortgezet. Over de toevoeging van het woordje “een” wordt echter geen bijkomende toelichting gegeven in de parlementaire stukken.

Deze continuïteitsvoorwaarde geldt tevens voor de schenking of vererving van activa geïnvesteerd in een familiale onderneming, en ook hier werd voormelde verfijning toegevoegd in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. In de Vlaamse Codex Fiscaliteit staat thans te lezen dat ‘een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking [moet worden] voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van [de schenkingsakte of het overlijden van de erflater]’. 

- Na verloop van termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte of het overlijden controleert de bevoegde entiteit of aan voormelde voorwaarden tot behoud van de toepassing van het gunstregime is voldaan. De begiftigden of verkrijgers kunnen tevens zelf melden aan de bevoegde instanties dat niet langer aan de continuïteitsvoorwaarden is voldaan.

Vlaamse Codex Fiscaliteit – activiteitsvoorwaarde niet verder verduidelijkt

In de praktijk blijkt dat de Vlaamse belastingadministratie meent zogenaamde ‘managementvennootschappen’ niet te kunnen kwalificeren als ‘familiale vennootschap’ bij gebreke aan het tot doel hebben en uitoefenen van een nijverheids-, handels-, ambachts-, landbouwactiviteit of vrij beroep. Dit lijkt inzonderheid ‘managementvennootschappen’ te betreffen met slechts een beperkt aantal uitgaande facturatiestromen en een beperkte omkadering (eigen personeel, hoofdkwartier e.d.); ook van ‘intragroepsdiensten’ door de ‘managementvennootschap’ is er deze gevallen geen of weinig sprake.

Dit standpunt van de Vlaamse belastingdienst gaat wellicht terug op de Memorie van Toelichting bij het Programmadecreet van 23 december 2011. Er wordt beoogd enkel vennootschappen die een maatschappelijke ondernemingswaarde creëren te laten genieten van het gunstregime voor familiebedrijven. De Memorie van Toelichting preciseert vervolgens dat het niet de bedoeling is om private personen die hun privaat patrimonium in vennootschappen onderbrengen (de zogenaamde ‘patrimoniumvennootschappen’) van de gunstmaatregel te laten meegenieten. Met één zinsnede wordt daaraan toegevoegd dat managementvennootschappen in elk geval niet in aanmerking komen voor het gunstregime; verdere toelichting wordt hierbij niet gegeven in de Memorie van Toelichting.

Ook de wettekst is op dit punt onduidelijk; in de wet wordt immers niet voorzien in een uitsluiting van zoiets als ‘managementvennootschappen’. Het begrip ‘managementvennootschap’ is overigens geen juridische term an sich. De wettelijke basis tot het uitsluiten van (welbepaalde) ‘managementvennootschappen’ an sich is ons inziens dan ook niet voorhanden. Dergelijke managementvennootschap hebben wel degelijk de uitoefening van een economische activiteit tot doel, zijnde het verstrekken van managementvennootschappen.

Jammer genoeg heeft de decreetgever naar aanleiding van de incorporatie van het Vlaams gunstregime in de Vlaamse Codex Fiscaliteit nagelaten hier verdere duidelijkheid omtrent te scheppen door een aanpassing van de wetgeving.

naar boven
GESCHILLEN // 22-mEI-15
BERICHT VAN WIJZIGING OF KENNISGEVING AMBTSHALVE AANSLAG - DE FISCUS HEEFT VOLGENS CASSATIE SOMS NIET TE KIEZEN !

Auteurs:
Jan Sandra (advocaat-vennoot) & Steven Vancolen (advocaat-vennoot)
Praktijkgroep Fiscaliteit & Geschillen


Indien de taxatieambtenaar meent een naar vorm en termijn geldige aangifte te moeten wijzigen, moet hij vooraleer de aanslag te vestigen aan de belastingplichtige een zogenaamd bericht van wijziging sturen. In dit bericht van wijziging moet hij de belastingplichtige in kennis stellen van de inkomsten en andere gegevens die hij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven en dient hij te motiveren waarom hij daartoe overgaat. De belastingplichtige heeft dan in principe een termijn van één maand om daaromtrent standpunt in te nemen door bij bijvoorbeeld de voorgenomen wijzigingen te betwisten of ermee akkoord te gaan. Deze procedure is geregeld in artikel 346 van het Wetboek inkomstenbelastingen.

In een aantal specifieke gevallen “kan” de fiscus de aanslag ambtshalve vestigen en dit op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt. Het betreft de gevallen waarin de belastingplichtige nalaat (tijdig) een belastingaangifte in te dienen; nalaat tijdig te verhelpen aan de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast; nalaat op verzoek van de administratie zijn boekhouding over te leggen of nalaat (tijdig) te antwoorden op een vraag om inlichtingen of een bericht van wijziging. Het betreft een limitatieve opsomming. De aanslag van ambtswege is bedoeld als een sanctie op het door een belastingplichtige niet (volledig) voldoen aan de op hem rustende verplichtingen in het kader van zijn medewerking aan de belastingheffing. Ook bij deze wijze van taxatie is er sprake van een voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige door de fiscus. Daarin dient de fiscus te duiden waarom zij van deze procedure gebruik maakt en dient zij het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede de wijze waarop de inkomsten en gegevens zijn vastgesteld, te motiveren. In principe is er ook hier voorzien in een antwoordtermijn van één maand voor de belastingplichtige. Deze procedure is geregeld in artikel 351 van het Wetboek Inkomstenbelastingen.

De toepassing van de procedure aanslag van ambtswege heeft een belangrijke impact op de bewijslastverdeling. Indien hij ambtshalve is aangeslagen behoort het immers toe aan de belastingplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten.

Uit het woordje “kan” in artikel 351 blijkt dat de vestiging van de aanslag van ambtswege – in beginsel - facultatief is zodat voor de administratie er sprake is van een recht en niet van een verplichting (zie bv Cass. 23 maart 1948). Wanneer de belastingplichtige bijvoorbeeld weigert te antwoorden op een vraag om inlichtingen, of dit niet tijdig doet, kan de administratie overgaan tot een ambtelijke aanslag doch zij kan er evenzeer voor kiezen de wijzigingsprocedure te volgen. Er is dan wel vereist dat aan de voorwaarden van wijzigingsprocedure zelf is voldaan.

Cassatie kreeg recent de kans om daaromtrent de puntjes op de i te zetten.

Het betrof een casus waarin een Française opgenomen in een bejaardentehuis in België meende niet onderworpen te zijn aan de personenbelasting in België omdat haar fiscale woonplaats zich in Frankrijk bevindt. Om die reden stuurde ze, binnen de aangiftetermijn, de haar toegestuurde aangifte niet-ingevuld, niet-ondertekend en niet-gedagtekend terug naar de afzender. Daarbij maakte zij in een aangetekend, begeleidend schrijven haar standpunt duidelijk. De administratie vestigde niettemin een aanslag, nadat zij de wijzigingsprocedure had gevolgd. Ondanks het hof van beroep van Bergen uitdrukkelijk vaststelde dat er sprake was van een niet-ingevulde, niet-ondertekende en niet-gedagtekende aangifte, oordeelde het dat de fiscus gebruik kon maken van de wijzigingsprocedure.

Volgens het hof van beroep van Bergen is de procedure tot ambtshalve aanslag immers slechts een mogelijkheid en geen verplichting voor de administratie (Bergen 20 september 2013).

Het Hof van Cassatie ziet het anders. Cassatie verwijst inzonderheid naar artikel 307 van het Wetboek inkomstenbelastingen waarin ondermeer wordt bepaald dat de aangifte in de inkomstenbelastingen moet worden ingevuld, gedagtekend en ondertekend. Indien een belastingplichtige een aangifte terugstuurt die hij niet heeft ingevuld, gedagtekend en ondertekend “moet” de administratie volgens het Hof van Cassatie de procedure van de ambtshalve taxatie toepassen wanneer zij in hoofde van deze belastingplichtige een aanslag wil vestigen. Het arrest van het hof van beroep van Bergen waarin anders werd beslist, wordt daarom vernietigd (Cass. 19 februari 2015).

Het arrest van het Hof van Cassatie verdient bijval. De administratie wordt immers geacht over te gaan tot taxatie wanneer zij meent dat daartoe de voorwaarden zijn voldaan. Er zijn slechts twee manieren om te taxeren. Wanneer de voorwaarden voor een ambtshalve taxatie zijn vervuld “kan” de fiscus volgens de letter van de wet ambtshalve taxeren. Zij kan met andere woorden nog steeds de wijzigingsprocedure verkiezen. Het is evenwel de evidentie zelve dat de wijzigingsprocedure slechts kan worden gevolgd indien de voorwaarden daartoe zijn vervuld. Zoniet wordt de regelgeving inzake de wijzigingsprocedure geschonden. Soms betekent in de praktijk “kunnen” aldus wel degelijk “moeten” voor de fiscus; met name in die gevallen waarin weliswaar de voorwaarden van een ambtshalve taxatie zijn vervuld doch niet de voorwaarden voor een wijzigingsprocedure. Dit is voornamelijk het geval, zoals in de besproken casus, wanneer er geen sprake is van een (naar vorm en termijn) geldige aangifte. Het hof van beroep van Brussel oordeelde eerder in dezelfde zin (Brussel 14 april 1987).

Volledigheidshalve kan nog worden opgemerkt dat volgens het Hof van Cassatie een geldige aangifte, in een zogenaamde verkeerde belasting (met name in de rechtspersonenbelasting in plaats van in de vennootschapsbelasting), wel degelijk kwalificeert als een geldige aangifte in de zin van artikel 346 van het Wetboek inkomstenbelastingen. In dat geval dient de wijzigingsprocedure te worden toegepast (Cass. 27 september 2012).

Er zijn voor de fiscus slechts twee manieren om te taxeren. In geval van een naar vorm en termijn geldige aangifte is in principe de wijzigingsprocedure van toepassing. In een wettelijk limitatieve reeks van gevallen waarin de belastingplichtige zijn medewerkingsplicht niet (afdoende) vervult bij de belastingheffing “kan” er ambtshalve worden getaxeerd op het bedrag van de belastbare inkomsten die de fiscus kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt. Wanneer er evenwel geen sprake is van een naar vorm en termijn geldige aangifte, is er voor de administratie slechts één optie: de ambtshalve taxatie. De voorwaarden voor de wijzigingsprocedure kunnen dan immers – bij gebreke aan geldige aangifte - nooit zijn vervuld.

naar boven
FAMILIEBEDRIJVEN // 22-mEI-15
PROMOTIE VAN GROEPEN VAN ASSISTENTIEWONINGEN - BTW OPTIMALISATIE OP ZIJN BEST !

Auteurs:
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) & Jan Sandra (advocaat-vennoot)
Praktijkgroep Fiscaliteit & Familiebedrijven


Kwaliteitsvolle ouderenzorg is een maatschappelijke must. De overheid blijft daar haar schouders onder zetten. Eén van de middelen daartoe is het stimuleren van de bouw van serviceflats, vrij recent omgedoopt in groepen van assistentiewoningen. Om die bouw te stimuleren voorziet men, mits het volgen van het juiste parcours, voor investeerders in dergelijke assistentiewoningen in fiscale stimuli.

Het systeem van de assistentiewoningen werkt in de praktijk vaak als volgt: een promotor/bouwheer bouwt assistentiewoningen en verkoopt deze (eventueel op plan) aan private investeerders; deze stellen deze assistentiewoningen ter beschikking van een beheersinstantie (bv. een vzw die ouderenzorg verricht) en deze beheersinstantie verhuurt deze assistentiewoningen aan gebruikers (ouderen) alsmede stellen zij deze gebruikers bepaalde diensten (bv. alarm- en oproepsystemen, crisiszorgen, …) ter beschikking. De gebruiker betaalt een huurprijs (door te storten aan de investeerder/eigenaar) en een prijs voor de diensten.

Deze fiscale gunstmaatregelen situeren zich op vlak van de btw (verlaagd tarief bij aankoop) en de onroerende voorheffing (vrijstelling). We focussen hier op de btw item.

In de markt zijn er zowel niet erkende als wel erkende assistentiewoningen; enkel erkende assistentiewoningen kunnen genieten van de fiscale voordelen. Voor verkoop van erkende assistentiewoningen is een 12% btw tarief voorzien. Belangrijk is wel dat de assistentiewoning deel moet uitmaken van een erkende groep van assistentiewoningen, dat de flat blijvend deel uitmaakt van die groep, dit is minstens 15 jaar, en dat de eigenaars de assistentiewoning aan een beheersinstantie ter beschikking stellen voor een zelfde periode en dat dit alles uit voldoende stukken blijkt. Uiteraard scheelt dit een slok op de borrel zowel voor de bouwheer/promotor (die zijn marge ziet vergroten) als de investeerder/eigenaar (die zijn kostprijs ziet verlagen). Voor de investeerder/eigenaar is dit overigens sowieso vaak een goede investering doordat in een goed gerunde assistentiewoning geen tot weinig leegstand is en het lange termijn rendement daardoor verzekerd is. Doordat de assistentiewoning wordt gebruikt door de beheersinstantie in het kader van de exploitatie van de assistentiewoningen zijn vaak minder kosten dan gebruikelijk ten laste van de eigenaar/investeerder.

Kern van de fiscale zaak is met andere woorden het bekomen van een erkenning van de groep van assistentiewoningen.

Het Vlaamse woonzorgdecreet van 13 maart 2009, de verschillende uitvoeringsbesluiten en vooral het Besluit van 12 oktober 2012 van de Vlaamse regering betreffende groepen van assistentiewoningen (vormende bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 2009) voorzien sinds 2012 in een transparanter systeem van programmatie, erkenningsvoorwaarden en subsidieregeling.

Om een erkenning te krijgen moeten bepaalde voorwaarden zijn voldaan inzake (1) zorg- en dienstverlening (regelgeving omtrent de kwaliteit van zorgverlening, dagprijs, …) door de beheersinstantie, (2) omkadering (bv. aanwezigheid van een woonassistent) door de beheersinstantie en (3) infrastructuur (bv. ontmoetingsruimtes). Het zou ons te ver leiden om al deze voorwaarden op te sommen maar zeer belangrijk is dat er een amalgaam van contracten wordt opgesteld waarin deze voorwaarden één voor één worden opgesomd en er ook een engagement is tot naleving ervan. Het Agentschap Zorg & Gezondheid bij de Vlaamse Overheid zal bij het toekennen of behouden van de erkenning in belangrijke mate rekening houden met de situatie ter plekke alsmede met deze contracten. Het betreft in feite volgende contracten:

- de basisakte inzake het gebouw waarin de verschillende assistentiewoningen zijn ondergebracht
- de overeenkomst voor genotsrecht van de assistentiewoning en de zorg- en dienstverlening tussen de beheerinstantie en de gebruiker (ook wel de verblijfsovereenkomst genoemd)
- overeenkomst van terbeschikkingstelling van de assistentiewoning door de eigenaar en de beheersinstantie
- een interne afsprakennota

Elk van deze contracten en documenten dient, met oog op erkenning, zowel aan bepaalde materiële als aan bepaalde formele voorwaarden te voldoen. In de contracten wordt best ook vastgeklikt dat de bestemming als assistentiewoning voor 15 jaar vastligt, dit met oog op het behoud van het btw tarief.

De promotie rond assistentiewoningen is mede door de btw stimulans een absolute opportuniteit, zowel voor promotor als koper. De uitbouw van een goed dossier, onder meer door aan de regelgeving beantwoordende contracten, is een must maar lang niet onoverkomelijk met het oog op het bekomen van de nodige erkenning.

naar boven
VENNOOTSCHAPPEN // 22-mEI-15
OVERDRACHT VAN AANDELEN IN EEN NV OF EEN BVBA - WIE VOLSTORT DE AANDELEN ?

Auteurs:
Bram Stragier (advocaat-vennoot) & Simon Deryckere (advocaat)
Praktijkgroep Ondernemen & Vennootschappen


De NV en de BVBA zijn vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarbij de aandeelhouders of vennoten in principe niet gehouden zijn tot de schulden van de vennootschap. Als prijs voor deze beperkte aansprakelijkheid, dient bij de oprichting van een dergelijke vennootschap steeds in een toereikend kapitaal te worden voorzien. Dit kapitaal bestaat uit de inbrengen van de oprichters (in geld of in natura).

Het kapitaal in een NV of een BVBA dient echter niet bij de oprichting volledig volstort te worden.

De bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap kunnen nadien wel vorderen dat dit zou gebeuren. Een curator kan dit eveneens wanneer de vennootschap failliet gegaan is en de aandelen niet voordien volstort werden.

Een in de praktijk vaak voorkomend pijnpunt is wie instaat voor deze volstorting bij een overdracht van de niet-volgestorte aandelen.

Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt naargelang het gaat om een NV dan wel om een BVBA.

In beide gevallen zijn drie onderscheiden rechtsverhoudingen aan de orde: (i) de onderlinge relatie tussen de overdrager en de overnemer van de aandelen, (ii) de relatie tussen de overdrager en de vennootschap zelf en (iii) de relatie ten aanzien van derden (schuldeisers van de vennootschap). Dit laatste zal hoofdzakelijk aan de orde zijn in geval van faillissement van de vennootschap.

Volstortingsplicht in een NV

Tussen partijen gaat de volstortingsplicht mee over van de overdrager op de overnemer bij de overdracht van de betreffende aandelen. Deze overdracht vindt in principe plaats op het ogenblik van de wilsovereenstemming over het voorwerp en de prijs.

Ten aanzien van de vennootschap is het echter zo dat een overdracht pas tegenstelbaar wordt indien deze ook werd ingeschreven in het aandeelhoudersregister. Algemeen wordt aangenomen dat volstortingen die zijn opgevraagd vóór deze inschrijving, dienen te gebeuren door de overdrager. Volstortingen die nadien werden opgevraagd zijn voor rekening van de overnemer.

In de verhouding ten aanzien van derden (met inbegrip van de curator in geval van faillissement van de vennootschap) geldt de bijzondere regeling van artikel 506 en 507 W. Venn. De overdracht van de niet-volgestorte aandelen is pas tegenstelbaar aan derden na de publicatie in de bijlagen van het Belgisch Staatblad van de lijst van aandeelhouders die hun aandelen niet hebben volstort.

Voor schulden die ontstaan zijn nà deze bekendmaking, kan de curator / een schuldeiser enkel de overnemer aanspreken tot volstorting.

Voor schulden die dateren van voordien, kunnen de schuldeisers zich zowel richten tot de overnemer als de overdrager. Deze laatste heeft dan wel een regresvordering op de overnemer en op de latere overnemers (artikel 507 W. Venn.).

Volstortingsplicht in de BVBA

In de onderlinge verhouding tussen de overdrager en overnemer geldt hetzelfde principe als in een NV. De volstortingsplicht gaat mee over met de betrokken aandelen.

De verhouding ten aanzien van de vennootschap is hier echter niet uitdrukkelijk wettelijk geregeld.

Overwegend wordt aangenomen dat de wettelijke regeling inzake NV per analogie moet worden toegepast. Ook hier zou het essentiële onderscheid derhalve bestaan uit volstortingen die zijn opgevraagd vóór dan wel nà de inschrijving van de overdracht in het aandeelhoudersregister.

Sommige rechtspraak en rechtsleer is evenwel van oordeel dat de overdrager t.a.v. de vennootschap gehouden is voor de schulden van vóór de inschrijving van de overdracht in het aandeelhoudersregister (ten belope van het niet-volgestorte gedeelte uiteraard), ongeacht wanneer de volstorting werd opgevraagd.

In de verhouding tot de schuldeisers van de vennootschap werd traditioneel eveneens de regeling inzake de NV per analogie toegepast, met dien verstande dat als peildatum de inschrijving van de overdracht in het aandelenregister geldt en dat de overdrager enkel een regres heeft op de overnemer en niet op de latere overnemers. De overdrager die niet volstort heeft, zal dus ten belope van het niet-volgestorte gedeelte kunnen aangesproken worden voor schulden die reeds bestonden op het ogenblik van de inschrijving van de overdracht in het aandelenregister.

Steeds vaker gaan evenwel stemmen op dat de overdrager ook ten aanzien van schuldeisers bevrijd is van zodra de overdracht in het aandeelhoudersregister werd ingeschreven, ongeacht of het gaat om schulden van voor of na de overdracht.

Daarnaast is er echter nog een strekking die van oordeel is dat de overdrager pas bevrijd is indien de vennootschap uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de vordering tot volstorting.

Conclusie

Bij de overdracht van aandelen in een NV of BVBA dient steeds te worden nagegaan of deze aandelen wel werden volstort. Blijkt dit niet het geval, dan is de voorafgaandelijke volstorting door de overdrager de meest eenvoudige oplossing. Indien dit niet mogelijk of wenselijk blijkt, wordt één en ander best uitdrukkelijk geregeld in de overnameovereenkomst, zeker bij een BVBA, om onaangename verrassingen te vermijden.

naar boven
VASTGOED // 22-mEI-15
VASTGOEDTRANSACTIES - ZIJN GEKRUISTE OPTIES HET UITGELEZEN MIDDEL ?

Auteurs:
Bram Stragier (advocaat-vennoot) & Caitlin Moenaert (advocaat)
Praktijkgroep Ondernemen & Vennootschappen


Steeds vaker worden aankoopopties als alternatief aangereikt voor de klassieke verkoopcompromis bij de verkoop van een onroerend goed. Een optie onderscheidt zich juridisch nochtans scherp van een verkoopovereenkomst. Een aankoopoptie verleent enkel het recht om binnen een bepaalde tijdsvork tot aankoop van een goed over te gaan tegen een welbepaalde prijs (de ‘uitoefenprijs’). Omgekeerd verleent een verkoopoptie enkel het recht om binnen een bepaalde tijdsvork een kandidaat-koper tot aankoop van een goed te dwingen. Wanneer beide opties elkaar in de tijd opvolgen, spreekt men van zogenaamde ‘gekruiste opties’. Deze ‘beloftes’ vallen niet samen met de eventuele verkoop zelf, die in principe slechts tot stand komt op het ogenblik dat een optie gelicht wordt.

Een verkoopovereenkomst wordt beheerst door het consensualisme, wat intrinsiek enkele – mogelijks ongewilde – rechtsgevolgen heeft. Consensualisme betekent dat de koopovereenkomst tot stand komt van zodra er een wilsovereenstemming (solo consensu) tussen de verkoper en de koper is bereikt over de prijs, het voorwerp van de koop en eventueel andere elementen die partijen als essentieel aanmerken. De eigendom gaat behoudens andersluidende overeenkomst op hetzelfde ogenblik over.

Dit alles heeft een aantal specifieke rechtsgevolgen:

De wetgever legt steeds meer precontractuele informatieverplichtingen op aan de verkopers van onroerende goederen (attesten en keuringen allerhande, stedenbouw, bodemgesteldheid, etc …). Deze zijn niet zelden op straffe van nietigheid van de overeenkomst voorgeschreven. Wanneer de verkoopovereenkomst tot stand komt door de loutere ondertekening van de compromis, dient elk van deze verplichtingen / formaliteiten op voorhand ingevuld te zijn. Dit wordt vaak als storend ervaren.

Er is uiteraard ook een fiscale incidentie. Een verkoopovereenkomst dient verplicht geregistreerd te worden. De registratie dient te gebeuren binnen de 4 maanden, wat over het algemeen relatief kort is. Bovendien kent een verkoopovereenkomst een zeer beperkte substitueerbaarheid op het gebied van de koper. Zodra er een wilsovereenstemming is tussen twee partijen kan de identiteit van de koper niet meer gewijzigd worden zonder een dubbele heffing van de registratierechten te ondergaan, enkele uitzonderingen niet te na gesproken (de zgn. ‘ontbinding à la flamande’ en de ‘koop met commandverklaring’). Vanuit fiscaal oogpunt gaat het immers om een nieuwe verkoop. Indien aan de voorwaarden van de ‘wederverkoop’ voldaan werd, zal wel nog een gedeeltelijke teruggaaf van de registratierechten mogelijk zijn.

De zogenaamde gekruiste optiecontracten kunnen uit hun aard - deels - tegemoetkomen aan de hoger omschreven bekommernissen.

De koopovereenkomst komt immers niet tot stand door het ondertekenen van het optiecontract. Er kan geargumenteerd worden de wettelijke voorgeschreven, precontractuele verplichtingen nog niet dienen ingevuld te zijn op het ogenblik dat het optiecontract aangegaan wordt. De invulling van deze verplichtingen zou in principe ook nog kunnen gebeuren tot op het moment dat één der partijen de optie licht.

Partijen kunnen zelfs bedingen dat niet de uitoefening van de optie, maar wel het verlijden van de authentieke akte de verkoop doet tot stand komen. In dat geval brengt het lichten van de optie enkel een nieuwe verbintenis met zich om mee te werken aan het verlijden van de authentieke akte op een later tijdstip. In het vakjargon spreekt men dan van een subjectief plechtig contract.

Wat voorafgaat is uiteraard de theorie. In de praktijk blijkt de rechtspraak met deze principes moeilijker om te gaan. Zo is er een arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen dat besliste dat het lichten van de optie de verkoop onmiddellijk doet ontstaan, zonder dat er een aanvullend geschrift vereist is. Hierdoor moet - volgens het Hof - de precontractuele informatieplicht van de verkoper reeds ingevuld zijn op het moment van het sluiten van het optiecontract. Het Hof van Beroep oordeelde in het bijzonder dat het ontbreken van de stedenbouwkundige informatie in de optieovereenkomst de nietigheid van de optieovereenkomst met zich meebrengt. Het Hof aanvaardt wel de techniek van het subjectief plechtig contract en erkent dat de koop slechts tot stand komt bij het verlijden van de akte, maar geeft voorrang aan de bepalingen van openbare orde van het Decreet Ruimtelijke Ordening. Deze bepalingen strekken ertoe om de koper van een onroerend goed te beschermen. Een clausule die toelaat dat een kandidaat-koper de stedenbouwkundige informatie pas zou krijgen nadat hij zich definitief verbonden heeft middels het optiecontract, ontneemt de kandidaat-koper die wettelijk gesanctioneerde bescherming en is dus nietig.

Op fiscaal vlak bieden gekruiste opties wèl met zekerheid het gewenste effect. Een optieovereenkomst is immers niet aan registratie onderworpen. Pas wanneer de optie effectief gelicht wordt, begint de termijn van 4 maanden te lopen en moet er voordien geregistreerd worden. Tot zolang kunnen partijen ook gesubstitueerd worden door derden, zonder dat de administratie dit kan beschouwen als een ‘wederverkoop’.

Gekruiste opties ziet men steeds vaker in het rechtsverkeer verschijnen. In theorie dient de precontractuele informatieplicht van de verkopende partij slechts ingevuld te worden op het moment dat een optie gelicht wordt. In de praktijk liggen de zaken genuanceerder en doet men er goed aan om alle inlichtingen zoals deze voor een compromis vereist zijn, in de optieovereenkomst te incorporeren, vooral wat stedenbouw betreft. Vanuit fiscaal oogpunt ontsnappen gekruiste opties aan de dwingende bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Slechts wanneer een optie gelicht wordt, zal er moeten geregistreerd worden en verdwijnt fiscaal neutrale substitueerbaarheid van de kandidaat-koper.

naar boven
IMPOSTO Advocaten  -  President Kennedypark 41 -  8500 Kortrijk  -   t +32 (0)56 24 13 13  -  f +32 (0)56 24 13 10
info@imposto.be  -  www.imposto.be  -  RPR Kortrijk 0808.968.122

© 2015 IMPOSTO Advocaten



Het in deze nieuwsbrief opgenomen materiaal wordt door IMPOSTO Advocaten slechts voor informatiedoeleinden voorbereid en aangeboden. Het vormt geen juridisch of ander professioneel advies en lezers worden aanbevolen niet op basis van deze informatie te handelen zonder eerst juridisch advies in te winnen. Noch de verzending noch de ontvangst van dit materiaal creëert een advocaat/cliënt-relatie tussen de zender en de ontvanger. Het materiaal mag enkel voor persoonlijk gebruik worden geconsulteerd en gebruikt. Elk ander gebruik is verboden.

Klik hier indien u deze nieuwsbrief naar iemand wenst door te sturen.
IMPOSTO Advocaten hanteert een strenge anti-spam policy.
Wenst u deze nieuwsbrief niet langer te ontvangen, dan kan u zich via
deze link gemakkelijk uitschrijven.
Mocht u hieromtrent nog vragen hebben, dan mag u ons altijd mailen op het adres
info@imposto.be.